Autisme en faalangst - Artikel kennisbank Ina Terra

Autisme en faalangst – wanneer fouten maken spannend wordt

Inleiding

Veel kinderen vinden het spannend om fouten te maken op school. Bij sommige kinderen met autisme kan die spanning sterker zijn.

Ze willen opdrachten graag goed doen, maar raken onzeker wanneer iets niet meteen lukt. Soms vermijden ze taken, stellen ze werk uit of raken ze gefrustreerd wanneer een fout wordt gemaakt.

Voor ouders en leerkrachten kan dat lijken op gebrek aan motivatie. In werkelijkheid speelt er vaak iets anders: angst om fouten te maken.

Wanneer we begrijpen waarom faalangst bij autisme kan ontstaan, wordt het makkelijker om kinderen hierin te ondersteunen.


Voorbeeld

Sanne zit in groep 7 en werkt meestal rustig in de klas. Wanneer de juf een nieuwe opdracht uitlegt, lijkt Sanne soms te aarzelen voordat ze begint.

Bij moeilijke opdrachten zegt ze soms dat ze het niet kan, nog voordat ze het heeft geprobeerd.

Thuis merken haar ouders dat Sanne bang is om fouten te maken. Ze wil haar werk perfect doen en raakt snel gefrustreerd wanneer iets niet meteen lukt.

Ze vragen zich af waarom school voor haar soms zo spannend voelt.


Centrale vraag

Waarom kunnen sommige kinderen met autisme extra gevoelig zijn voor faalangst op school?

Hoofdstuk 1 – De behoefte aan duidelijkheid

Veel kinderen met autisme voelen zich het prettigst wanneer taken duidelijk en voorspelbaar zijn.

Wanneer een opdracht onduidelijk is of meerdere oplossingen mogelijk zijn, kan dat onzekerheid geven.

Het brein probeert dan te begrijpen wat precies de bedoeling is.

Die onzekerheid kan ervoor zorgen dat een kind bang wordt om iets verkeerd te doen.


Hoofdstuk 2 – Hoge verwachtingen van zichzelf

Sommige kinderen met autisme stellen hoge eisen aan zichzelf.

Ze willen opdrachten precies goed uitvoeren en raken gespannen wanneer ze denken dat ze een fout kunnen maken.

Wanneer iets niet lukt zoals verwacht, kan dat leiden tot frustratie of teleurstelling.


Hoofdstuk 3 – Overprikkeling en spanning

Wanneer een kind al veel energie gebruikt om prikkels te verwerken, kan spanning sneller oplopen.

Een moeilijke opdracht of een toets kan dan extra druk geven.

Het brein probeert tegelijkertijd prikkels te verwerken én een taak uit te voeren.

Dat kan ervoor zorgen dat een kind blokkeert of onzeker wordt.


Hoofdstuk 4 – Negatieve ervaringen

Wanneer een kind meerdere keren heeft ervaren dat een taak moeilijk was, kan het brein deze situatie gaan koppelen aan spanning.

Het kind verwacht dan dat het opnieuw niet zal lukken.

Dit kan ertoe leiden dat een kind taken gaat vermijden of minder snel begint.


Hoofdstuk 5 – Veiligheid en succeservaringen

Kinderen met autisme kunnen beter omgaan met fouten wanneer ze ervaren dat fouten maken onderdeel is van leren.

Dat kan helpen door:

  • opdrachten stap voor stap uit te leggen
  • ruimte te geven om te oefenen
  • succeservaringen zichtbaar te maken
  • fouten te zien als onderdeel van leren

Wanneer een kind merkt dat iets kan lukken, groeit vaak ook het vertrouwen.


Tot slot

Faalangst bij kinderen met autisme ontstaat vaak door onzekerheid, hoge verwachtingen van zichzelf en spanning bij moeilijke taken.

Wanneer een omgeving veiligheid en duidelijke structuur biedt, kan een kind stap voor stap meer vertrouwen krijgen in het leren.

Zo wordt het maken van fouten minder spannend en kan het leerproces weer ruimte krijgen.