
Werkgeheugen bij kinderen – waarom vergeet je kind zoveel?
Inleiding
Het werkgeheugen is één van de meest bepalende executieve functies voor leren, plannen, luisteren én gedrag.
Veel ouders denken dat hun kind niet luistert, geen moeite doet of alles vergeet “omdat het hem weinig kan schelen”.
Maar in werkelijkheid gaat het bijna altijd om één ding:
een werkgeheugen dat onvoldoende ruimte heeft om informatie vast te houden tijdens het doen.
Je kunt het werkgeheugen zien als een soort kladblok in het hoofd.
Bij volwassenen is dat kladblok groot en stevig.
Bij kinderen is het klein, wankel en snel vol.
Voorbeeld
Je zegt:
“Ga naar boven, pak je gymtas uit je kamer, leg je vieze kleding in de wasmand en neem je drinkbeker mee naar beneden.”
Je kind rent naar boven.
En dan…
- staat hij bovenop de overloop stil,
- draait rondjes,
- komt terug met… een knuffel
- of roept: “Wat moest ik ook alweer doen?!”
Niet omdat hij niet oplette.
Maar omdat zijn werkgeheugen overstroomde.
Bij kinderen is het werkgeheugen vaak minder sterk dan bij volwassenen.
En bij gevoelige kinderen, beelddenkers en kinderen met stress of overprikkeling nóg kwetsbaarder.
Centrale vraag
wat is het werkgeheugen precies - en waarom hebben zoveel kinderen moeite met onthouden tijdens een taak?
Hoofdstuk 1 – Wat is het werkgeheugen?
Het werkgeheugen is het vermogen om:
- informatie vast te houden,
- terwijl je ermee bezig bent.
Het is dus niet hetzelfde als “geheugen” of “goed kunnen onthouden”.
Het gaat om kortdurend vasthouden tijdens het doen.
Voorbeelden:
- Je hoort een instructie → je moet onthouden wat je moet doen.
- Je leest een som → je moet de stappen in je hoofd houden.
- Je maakt huiswerk → je moet weten waar je bent gebleven.
- Je volgt een verhaal → je moet details vasthouden.
Het werkgeheugen werkt maar een paar seconden.
En bij overbelasting valt het per direct weg.
Hoofdstuk 2 – Waarom is het werkgeheugen bij kinderen zo kwetsbaar?
1. Het brein is nog in ontwikkeling
De prefrontale cortex groeit door tot ver in de adolescentie.
Kinderen hebben dus een kleiner en minder stabiel “kladblok”.
2. Beelddenkers overbelasten het werkgeheugen sneller
Beelden komen sneller binnen dan taal.
Het hoofd raakt sneller vol.
3. Emoties nemen ruimte in beslag
Bang, boos, gestrest, onzeker → werkgeheugen krimpt tot bijna niets.
4. Te veel prikkels = te weinig ruimte
Een drukke klas, veel geluid, veel visuele chaos → geheugen raakt meteen vol.
5. Te grote opdrachten
Kinderen horen:
“Pak je tas, maak je werk af, ruim op, kom naar beneden.”
Maar het werkgeheugen kan maar 1–2 stappen tegelijk aan.
6. Geen visuele ondersteuning
Kinderen hebben vaak een plaatje nodig om informatie vast te houden.
Hoofdstuk 3 – Hoe herken je een zwak werkgeheugen?
1. Je kind vergeet opdrachten terwijl het net nog luisterde
“Wat moest ik ook alweer doen?”
2. Je kind raakt spullen kwijt
Niet door rommeligheid, maar door vergeten waar het mee bezig was.
3. Moeite met meerstaps-instructies
Stap 1 lukt, stap 2 gaat al mis.
4. Kind lijkt dromerig of afwezig
Het brein is intern bezig met informatie vasthouden en raakt overweldigd.
5. Moeite met rekenen
Vooral bij sommen met meerdere stappen, zoals:
- kolomsommen
- klokkijken
- breuken
- vermenigvuldigen
6. Instructies komen niet binnen
Niet omdat je kind niet luistert, maar omdat de informatie niet blijft hangen.
7. Verhaalbegrip is lastig
Te veel informatie om te bewaren tijdens het lezen.
8. Taken duren lang
Kind moet constant opnieuw beginnen:
Waar was ik ook alweer?
Hoofdstuk 4 – Hoe beïnvloedt een zwak werkgeheugen het leren?
1. Rekenen wordt moeilijker
Sommen met meerdere stappen zijn bijna onmogelijk als het werkgeheugen vol zit.
2. Lezen en taal kosten meer energie
Verhaalsommen, begrijpend lezen, dictees → veel tegelijk vasthouden.
3. Kind raakt snel gefrustreerd
Niet omdat het dom is, maar omdat het brein zijn eigen grenzen tegenkomt.
4. Fouten worden niet gecorrigeerd
Kind vergeet wat het aan het doen was → maakt sneller slordige fouten.
5. In de klas raakt het kind snel achter
Instructies worden deels opgepikt → taken worden verkeerd begrepen.
6. Zelfvertrouwen daalt
Kind denkt vaak dat het “dom” is, terwijl het brein gewoon volloopt.
7. Onderpresteren
Kind kan veel meer dan het laat zien.
8. Extra prikkels maken alles erger
Een overbelast werkgeheugen kan geen nieuwe informatie meer opnemen.
Hoofdstuk 5 – Wat kun je thuis doen?
1. Geef maximaal 1–2 stappen tegelijk
Niet:
“Pak je tas, vul je beker, doe je schoenen aan.”
Maar:
“Pak je tas.”
Wachten.
“Doe nu je schoenen aan.”
2. Gebruik visuele steun
Beelddenkers hebben een plaatje nodig om informatie vast te houden:
- stappenplannen
- pictogrammen
- whiteboard
- afstreep-lijstjes
3. Verminder prikkels
Hoe rustiger het brein, hoe meer geheugenruimte.
4. Laat je kind hardop herhalen
“Wat ga je nu doen?”
Als het dat niet kan → instructie was te lang.
5. Werk in taakblokjes
Kleine opdrachten → werkgeheugen raakt minder snel vol.
6. Bouw routines op
Hoe meer geautomatiseerd, hoe minder geheugen nodig.
7. Gebruik kleur en structuur
Beelddenkers ordenen visueel, niet talig.
8. Geef veel positieve bevestiging
Kinderen met werkgeheugenproblemen hebben vaak het idee dat ze falen.
Erkenning is cruciaal.
