Inhibitie - artikel kennisbank Ina Terra

Inhibitie (impulscontrole) Waarom sommige kinderen eerst doen en dan pas denken

Inleiding

Inhibitie – oftewel impulscontrole – is één van de meest zichtbare executieve functies in het dagelijks leven. Het bepaalt of een kind kan wachten, luisteren, stoppen, nadenken vóór het handelt en of het zich kan beheersen als het boos of enthousiast wordt.

Veel ouders denken dat impulsief gedrag “aandacht vragen”, “luiheid” of “ongehoorzaamheid” is.

Maar in de basis gaat het om hersenrijping: het rempedaal van het brein werkt nog niet zoals bij volwassenen.


Kinderen willen vaak wél luisteren – hun brein is gewoon nog niet klaar om het uit te voeren.


Voorbeeld

Je zegt rustig:

“Wacht even, ik ben nog aan het praten.”


Je kind knikt. Je verwacht begrip.

Maar binnen twee seconden:

  • hangt hij aan je arm,
  • roept hij door je heen,
  • doet hij iets gevaarlijks,
  • of rent hij ergens naartoe.


Het lijkt alsof je kind het vergeet.

Maar dat is het niet.

Het brein registreert jouw instructie wel degelijk, maar inhibitie faalt: het rempedaal reageert te laat of te zwak.


Het voelt voor jouw kind alsof de actie al is gestart voordat hij überhaupt doorheeft wat hij aan het doen is.


Centrale vraag

Wat is inhibitie - en waarom hebben zoveel kinderen moeite met impulscontrole, thuis én op school?.


Hoofdstuk 1 – Wat is inhibitie precies?

Inhibitie is het vermogen om:

  • een gedachte te remmen,
  • een impuls tegen te houden,
  • een handeling te stoppen,
  • of een emotionele reactie te beheersen.


Het is het interne stopmechanisme van het brein.

Zonder inhibitie reageren kinderen puur op prikkels:

  • ze pakken iets voordat ze erover nadenken
  • ze roepen door de klas
  • ze flappen iets eruit
  • ze klikken te snel op “verder”
  • ze rennen zonder te kijken
  • ze worden boos zonder het te willen


Kinderen worden niet geboren met een sterke rem.

Deze functie ontwikkelt zich langzaam, van peuter tot puberteit.


Het is volkomen normaal dat jonge kinderen moeite hebben met impulscontrole.

Maar sommige kinderen blijven er langer mee worstelen – en dat zie je in álles terug.


Hoofdstuk 2 – Hoe werkt impulscontrole bij kinderen?

Een kind met zwakke inhibitie:

  • voelt eerst → doet daarna
  • denkt pas achteraf na (“Oeps… ik had dat niet moeten doen…”)
  • reageert vanuit reflex in plaats van vanuit keuze


In drukke of emotionele momenten werkt inhibitie nóg slechter.

Daarom zie je gedrag escaleren als:

  • een kind moe is
  • overprikkeld is
  • bang is
  • onder tijdsdruk staat
  • veel geluid om zich heen heeft
  • of in een groep functioneert


Inhibitie werkt als een schakelaar die beïnvloed wordt door stress, prikkels en emoties.

Bij teveel prikkels gaat de schakelaar gewoon uit.


Hoofdstuk 3 – Hoe herken je problemen met inhibitie?

Heel herkenbaar gedrag is:

Impulsief doen

  • dingen pakken zonder te vragen
  • rennen zonder te kijken
  • springen op iets af
  • direct reageren zonder na te denken


Impulsief praten

  • door je heen praten
  • antwoorden eruit flappen
  • alles hardop zeggen wat in hun hoofd opkomt


Impulsief emoties uiten

  • snel boos
  • direct huilen
  • ontploffen bij kleine dingen
  • moeite met herstellen na een conflict


In de klas

  • roepen door de groep
  • te snel aan taken beginnen
  • stappen overslaan
  • dingen doen voor ze de instructie begrijpen
  • onrustig lopen of friemelen


Thuis

  • ruzie met broers/zussen
  • driftig bij kleine frustraties
  • niet kunnen wachten
  • “per ongeluk” dingen kapot maken


Dit is nooit “luiheid” of “ongepast gedrag”.

Het is nog niet kunnen remmen.


Hoofdstuk 4 – Hoe beïnvloedt zwakke impulscontrole het leren?

Kinderen met zwakke inhibitie:


1. Maken sneller fouten

Ze lezen de opdracht niet goed, beginnen te snel of slaan stappen over.


2. Raken sneller gefrustreerd

Ze hebben moeite met pauzeren, reflecteren en herstellen na een fout.


3. Leren minder effectief

Leren vraagt rust, pauze en nadenken – allemaal afhankelijk van inhibitie.


4. Hebben vaker conflicten

Omdat ze andere kinderen onderbreken, duwen of hun beurt vergeten.


5. Hebben moeite met groepsinstructie

Inhibitie is nodig om eerst te luisteren en pas daarna te doen.


6. Zijn sneller overprikkeld

Een brein dat niet remt, filtert ook minder prikkels → sneller “vol”.


Zwakkere inhibitie is geen karaktertrek.

Het is een ontwikkelingsuitdaging die bij sommige kinderen tijd en steun vraagt.


Hoofdstuk 5 – Wat kun je als ouder doen?

Je kunt impulscontrole niet “trainen” met werkbladen.

Maar je kunt het dagelijks ondersteunen, net zoals je reflexen ondersteunt.


1. Geef korte, concrete instructies

Niet:

“Pak je tas, doe je schoenen aan, jas aan en naar de auto.”


Wel:

“Eerst je schoenen.”

Dan pas: “Nu je tas.”

Dan: “Jas.”


2. Gebruik visuele stappenkaarten

Beelddenkers hebben een visueel remsysteem nodig.

Het voorkomt dat ze in de chaos springen.


3. Bouw voorspelbare routines

Wat elke dag hetzelfde is, wordt makkelijker te remmen → minder impulsief gedrag.


4. Oefen “stop – denk – doe” in rustige momenten

Niet tijdens een driftbui.

Maar op kalme momenten, als een spelletje.


5. Benoem het positief

“Je wachtte even – knap!”

“Je hield jezelf tegen – dat is groei!”

Kinderen kunnen zich geen weg remmen naar gewenst gedrag als ze zich constant afgewezen voelen.


6. Zorg voor rust achter gedrag

Geef extra tijd, minder prikkels, minder haast en meer overzicht.

Een rustig brein remt beter.