
Doelgericht gedrag bij kinderen – waarom volhouden zo moeilijk is
Inleiding
Doelgericht gedrag is de executieve functie die bepaalt of een kind iets kan volhouden tot het klaar is.
Het gaat niet om motivatie, intelligentie of wilskracht — het gaat om de vaardigheid om:
- een doel te zien,
- het doel vast te houden,
- obstakels onderweg te overwinnen,
- en door te blijven gaan, ook als het moeilijk of saai wordt.
Voor veel kinderen is dit ontzettend lastig.
Hun brein wil wel, maar raakt onderweg:
- afgeleid,
- overweldigd,
- gefrustreerd,
- ontmoedigd,
- of gewoon het doel kwijt.
Het gevolg?
Taken blijven half af, projecten stranden, motivatie verdwijnt en ouders denken:
“Hij kan het wel, maar hij doet het niet.”
Maar het is geen onwil — het is een executieve functie die nog volop in ontwikkeling is.
Voorbeeld
Je kind moet een werkstuk maken.
In zijn hoofd ziet het er ongeveer zo uit:
Begin → chaos → moeite → frustratie → afleiding → opgeven → schuldgevoel.
Voor jou voelt het eenvoudig:
“Kies een onderwerp, zoek informatie, maak een planning, schrijf, klaar.”
Voor hem voelt het als een eindeloze tocht zonder duidelijke route:
- “Waar begin ik?”
- “Wat moet ik precies doen?”
- “Dit is veel te moeilijk.”
- “Ik weet het niet meer.”
- “Ik kan dit niet.”
Doelgericht gedrag breekt zodra één van de tussenstappen niet lukt.
Niet omdat je kind niet gemotiveerd is, maar omdat zijn brein het proces niet kan vasthouden.
Centrale vraag
Wat is doelgericht gedrag - en waarom kunnen kinderen hun doelen soms niet vasthouden, zelfs als ze het wel willen?
Hoofdstuk 1 – Wat is doelgericht gedrag precies?
Doelgericht gedrag betekent dat een kind:
- een doel kan formuleren,
- een plan kan bedenken,
- stappen kan uitvoeren,
- onderweg obstakels kan oplossen,
- het einddoel kan blijven zien,
- en volhoudt tot het af is.
Het is de samenkomst van alle executieve functies:
- werkgeheugen → wat was het doel ook alweer?
- planning → wat zijn de stappen?
- taakinitiatie → hoe begin ik?
- volgehouden aandacht → hoe blijf ik erbij?
- emotieregulatie → hoe ga ik om met frustratie?
- flexibiliteit → wat als mijn plan anders loopt?
- inhibitie → hoe blijf ik bij mijn taak?
Als één functie zwakker is, raakt het doel direct uit beeld.
Hoofdstuk 2 – Waarom is doelgericht gedrag lastig voor kinderen?
1. Het einddoel is te ver weg
Kinderen leven in het moment.
Een taak met meerdere stappen voelt enorm ver weg.
2. Het proces is onzichtbaar
Volwassenen zien een route,
kinderen zien alleen een berg.
3. Werkgeheugen raakt snel vol
Als ze vergeten wat het doel was → stopt de hele taak.
4. Frustratie verlaagt doorzettingsvermogen
Emoties breken het doel af.
5. Afleiding is sterker dan het einddoel
Prikkels winnen het bijna altijd van motivatie.
6. Faalangst maakt volhouden moeilijk
“Wat als ik het niet kan?” → brein stopt.
7. Perfectionisme leidt tot blokkeren
“Het lukt niet perfect, dus ik stop.”
8. Beelddenkers verdwalen in hun hoofd
Ze zien het eindbeeld, maar niet de stappen ernaartoe.
Doelgericht gedrag is dus geen karaktertrek,
maar een ontwikkelingsvaardigheid die tijd nodig heeft.
Hoofdstuk 3 – Hoe herken je zwak doelgericht gedrag?
1. Taken blijven onafgemaakt
Begonnen aan 10 dingen, maar niets af.
2. Kind raakt snel ontmoedigd
Eerste fout → opgeven.
Eerste obstakel → boos of verdrietig.
3. Moeite met lange termijndoelen
Toetsen leren, projecten maken, huiswerk vooruit-planning.
4. Kind verliest de rode draad
Begint prima maar raakt het overzicht kwijt.
5. Emoties breken de taak af
Frustratie, hoofdpijn, tranen, boosheid → einde oefening.
6. Snel wisselen van activiteiten
Het ene na het andere zonder iets af te ronden.
7. Onrealistische verwachtingen
Denken dat iets “heel snel klaar” zal zijn → teleurstelling → stoppen.
8. Ouders horen vaak:
“Geen zin.”
“Is moeilijk.”
“Kan ik niet.”
Terwijl het probleem vasthouden is, niet willen.
Hoofdstuk 4 – Hoe beïnvloedt zwak doelgericht gedrag het leren?
1. Schooltaken worden rommelig of onafgemaakt
Kind begint vol enthousiasme,
maar eindigt in chaos.
2. Grote projecten mislukken
Werkstukken, spreekbeurten, topografie-toetsen → te veel stappen.
3. Kind komt nooit in een goede flow
Steeds opnieuw beginnen → kost veel energie.
4. Stress en onzekerheid
“Ik krijg nooit iets af.”
Zelfbeeld daalt.
5. Werktempo is laag
Niet door langzaam werken,
maar door een gebrek aan continuïteit.
6. Concentratieproblemen worden erger
Als een doel niet vaststaat,
is aandacht lastig te sturen.
7. Onderpresteren
Niet omdat het kind minder kan,
maar omdat het proces te zwaar is.
Hoofdstuk 5 – Wat kun je thuis doen?
1. Maak het doel klein en concreet
Niet:
“Maak je huiswerk.”
Maar:
“Maak drie sommen.”
“Schrijf één alinea.”
“Leer vijf woordjes.”
Kleine doelen = haalbaar = motivatie.
2. Gebruik visuele doelen
Beelddenkers hebben een eindplaatje nodig:
- checklist
- stappenkaart
- vooruitgangsbalk
- stickersysteem
3. Start samen
Eén stap samen doen → vergroot de kans dat het kind doorgaat.
4. Breek obstakels open
“Wat maakt dat het nu niet lukt?”
Samen een alternatieve stap bedenken.
5. Vier elke stap vooruit
Niet alleen het eindresultaat.
6. Leer doorzetten op een speelse manier
Puzzels, Lego, kleine klusjes → allemaal oefening in volhouden.
7. Laat falen veilig zijn
Geen druk.
Geen oordeel.
Geen teleurstelling.
Kinderen houden doelen langer vast als fouten geen bedreiging zijn.
8. Leg het proces zichtbaar vast
Vooruitgang zien = motivatie stimuleren.
