
Denken, voelen en weten Drie lagen van ervaring
Inleiding
“Ik weet het wel… maar het voelt niet zo.”
Of juist: “Het voelt niet goed, maar ik kan niet uitleggen waarom.”
Zinnen die veel ouders herkennen — bij hun kind én bij zichzelf.
Ze laten zien dat denken, voelen en weten niet hetzelfde zijn,
maar wel voortdurend door elkaar lopen.
Voorbeeld
Een kind zegt:
“Mijn hoofd zegt dat het goedkomt, maar mijn buik zegt iets anders.”
Als ouder wil je geruststellen.
Uitleggen waarom het logisch is dat alles goed komt.
Maar het kind benoemt iets essentieels:
er zijn verschillende lagen van ervaring tegelijk actief.
Centrale vraag
Wat is het verschil tussen denken, voelen en weten - en waarom is het belangrijk om die lagen te herkennen bij kinderen?
Hoofdstuk 1 – Denken: verklaren en begrijpen
Denken is de laag die we het best kennen.
Ze werkt met woorden, redeneringen en verklaringen.
Denken helpt bij:
- begrijpen wat er gebeurt
- verbanden leggen
- situaties analyseren
Maar denken is niet altijd leidend.
Het is een interpretatie van ervaring, geen garantie voor wat klopt.
Hoofdstuk 2 – Voelen: signalen uit lichaam en emotie
Voelen gebeurt vaak sneller dan denken.
Het zit in:
- het lichaam
- emoties
- spanning en ontspanning
Gevoelens geven informatie.
Maar ze zijn geen handleiding.
Wanneer we gevoelens wegredeneren,
verliezen kinderen contact met zichzelf.
Wanneer we ze serieus nemen, ontstaat vertrouwen.
Hoofdstuk 3 – Weten: innerlijk besef
Soms is er iets anders dan denken of voelen.
Een rustig besef.
Geen emotie. Geen uitleg.
Gewoon: dit klopt — of dit niet.
Dit innerlijk weten:
- is vaak stil
- dringt zich niet op
- wordt sterker wanneer het rustig is
Het ontstaat wanneer denken en voelen even niet domineren.
Hoofdstuk 4 – Waarom deze lagen vaak door elkaar lopen
We leren kinderen weinig over deze verschillen.
Daardoor:
- verwarren ze gevoel met feit
- nemen ze gedachten te letterlijk
- of vertrouwen ze hun innerlijk weten niet
Door de lagen te benoemen, ontstaat overzicht.
Niet om te sturen,
maar om te herkennen wat er speelt.
Hoofdstuk 5 – Wat dit betekent voor ouders
Als ouder hoef je niet te bepalen welke laag ‘klopt’.
Je kunt helpen door te vragen:
- “Wat denk je hierover?”
- “Wat voel je daarbij?”
- “Wat zegt je gevoel of je buik?”
Zo leert je kind:
- zichzelf serieus nemen
- onderscheid maken
- vertrouwen op innerlijke signalen
Dat is een basis voor zelfreflectie en wijsheid.
Afsluiting
Denken, voelen en weten zijn geen tegenpolen.
Ze vullen elkaar aan.
Wanneer kinderen leren herkennen
wat er in hen gebeurt,
ontstaat rust, overzicht en vertrouwen.
Niet omdat alles duidelijk wordt,
maar omdat ze zichzelf beter leren begrijpen.
Over de auteur
Ina Terra helpt ouders van kinderen bij wie leren niet vanzelf gaat.
Ze vertaalt kennis over ontwikkeling, brein en leren naar heldere uitleg voor thuis — zonder kinderen te forceren of in hokjes te plaatsen.
