- Hoofdstuk 1 – Kies het juiste moment: veiligheid vóór inhoud
- Hoofdstuk 2 – Spreek vanuit nieuwsgierigheid, niet vanuit correctie
- Hoofdstuk 3 – Geef woorden aan het onzichtbare
- Hoofdstuk 4 – Normaliseer hun ervaring
- Hoofdstuk 5 – Maak het gesprek visueel of speels
- Hoofdstuk 6 – Geef erkenning zonder de angst over te nemen
- Hoofdstuk 7 – Sluit af met kracht, niet met druk

Hoe praat je met een kind over faalangst? – Een veilige ingang naar emoties en gedachten
Inleiding
Voor kinderen met faalangst is het moeilijk om woorden te geven aan wat ze voelen. Ze zeggen niet: “Ik ben bang om te falen.”
Ze zeggen:
“Ik kan dit niet.”
“Ik wil niet.”
“Het lukt toch nooit.”
Ze vermijden, worden boos of haken af. Niet omdat ze niet willen praten, maar omdat ze bang zijn voor oordeel, teleurstelling en kwetsbaarheid.
Een gesprek over faalangst begint niet met oplossingen, maar met veiligheid, begrip en taal die aansluit bij hun belevingswereld.
Voorbeeld uit de praktijk
Een jongen van acht weigert een toets te maken.
Zijn vader zegt: “Waarom wil je het niet gewoon proberen?”
Hij haalt zijn schouders op en mompelt: “Weet ik niet.”
Pas later, wanneer ze samen op de bank zitten en hij zich veilig voelt, fluistert hij:
"Ik ben bang dat ik dom ben als ik het fout doe."
Kinderen praten alleen wanneer ze zich gezien en niet beoordeeld voelen.
Centrale vraag
Hoe kun je faalangst bespreekbaar maken op een manier die veiligheid, vertrouwen en openheid stimuleert?
Hoofdstuk 1 – Kies het juiste moment: veiligheid vóór inhoud
Gesprekken over faalangst werken het best wanneer het kind:
- ontspannen is
- niet in paniek of boosheid zit
- een rustige omgeving heeft
- zich verbonden voelt met de volwassene
Praat niet op het moment zelf dat het kind blokkeert.
Eerst reguleren → dan reflecteren.
Hoofdstuk 2 – Spreek vanuit nieuwsgierigheid, niet vanuit correctie
Kinderen sluiten zich af wanneer ze voelen dat jij wilt:
- oplossen
- overtuigen
- corrigeren
- bagatelliseren
- pushen
Maar ze openen wanneer jij vraagt:
- “Wat gebeurde er in je hoofd?”
- “Waar dacht je aan?”
- “Waar voelde je dat in je lichaam?”
- “Wat maakte dit zo spannend?”
Nieuwsgierigheid maakt ruimte.
Hoofdstuk 3 – Geef woorden aan het onzichtbare
Veel kinderen weten niet dat wat ze voelen een naam heeft.
Ze herkennen wel:
- buikpijn
- spanning
- duizeligheid
- paniek
- knoop in hun keel
Maar ze weten niet dat dit angst is.
Je kunt helpen door te verwoorden:
- “Het lijkt alsof het spannend voelde.”
- “Ik zie dat je lichaam gespannen werd.”
- “Je wilde het heel goed doen, hè?”
Als jij woorden geeft, voelt het kind zich begrepen.
Hoofdstuk 4 – Normaliseer hun ervaring
Faalangst voelt voor kinderen als falen zélf.
Normaliseren haalt de schaamte weg.
Voorbeelden:
- “Heel veel kinderen vinden dit spannend.”
- “Het is logisch dat je dichtklapt als het moeilijk voelt.”
- “Je brein wil je beschermen. Dat doet het bij iedereen wel eens.”
- “Je hoeft niet perfect te zijn om te mogen leren.”
Normaliseren opent de deur naar eerlijkheid.
Hoofdstuk 5 – Maak het gesprek visueel of speels
Vooral bij jongere kinderen werkt beeldtaal beter dan praattaal.
Ideeën:
- teken het “denkbrein” en het “angstbrein”
- laat het kind tekenen hoe de spanning voelt
- gebruik steentjes of poppetjes voor gedachten
- maak een thermometer van spanning
- gebruik een metafoor: een golf, een ballon, een storm
Spel en beeld halen de druk van het onderwerp af.
Hoofdstuk 6 – Geef erkenning zonder de angst over te nemen
Kinderen hoeven geen perfecte ouders — ze hebben regulerende ouders nodig.
Erkenning:
- “Ik snap dat dit moeilijk was.”
- “Je wilde het heel goed doen.”
- “Het was veel tegelijk.”
Maar:
- niet alle problemen oplossen
- niet alles leuk maken
- niet overmatig geruststellen
Je bent een veilige ankerplek, geen redder.
Hoofdstuk 7 – Sluit af met kracht, niet met druk
Een gesprek over faalangst moet eindigen met:
- vertrouwen
- veiligheid
- perspectief
- een kleine stap vooruit
Bijvoorbeeld:
- “Je hoeft dit niet alleen te doen.”
- “We gaan samen oefenen.”
- “Elke poging is winst.”
Zo wordt het kind niet overweldigd, maar gesterkt.
Meer weten?
Ziet je kind op tegen fouten maken of nieuwe dingen proberen?
In de mini-cursus Faalangst leer je waar faalangst vandaan komt, hoe het zich uit bij kinderen en hoe je je kind kunt helpen om weer vertrouwen te voelen in zichzelf.
Met herkenbare voorbeelden en praktische stappen voor thuis.
Over de auteur
Ina Terra helpt ouders van kinderen bij wie leren niet vanzelf gaat.
Ze vertaalt kennis over ontwikkeling, brein en leren naar heldere uitleg voor thuis — zonder kinderen te forceren of in hokjes te plaatsen.
