- Hoofdstuk 1 – Sociale signalen worden anders geïnterpreteerd
- Hoofdstuk 2 – Wederkerigheid is minder vanzelfsprekend
- Hoofdstuk 3 – Sterke, intieme én diepe vriendschappen
- Hoofdstuk 4 – Spel en interesses sturen de sociale aansluiting
- Hoofdstuk 5 – Stress in sociale situaties
- Hoofdstuk 6 – Wat helpt bij sociale interactie?

Autisme en sociale interactie – Anders sociaal, niet minder sociaal
Inleiding
Kinderen met autisme zijn vaak sociaal op een andere manier. Ze voelen zich veilig bij voorspelbare situaties, duidelijke communicatie en oprechte interesses. Het probleem is niet dat ze niet sociaal wíllen zijn — ze verwerken sociale signalen gewoon anders.
Ze missen soms de automatische “sociale radar” die veel kinderen hebben, waardoor interacties meer inspanning kosten. Maar wanneer een kind met autisme zich gezien voelt en mag aansluiten op zijn manier, ontstaan er prachtige, echte contacten.
Voorbeeld uit de praktijk
Een jongen van zeven speelt bijna altijd alleen op het schoolplein. Niet omdat hij geen vriendjes wil, maar omdat hij niet goed weet hoe hij moet aansluiten bij een spel dat al bezig is.
Wanneer een klasgenoot zegt: “Wil je mee tikkeren? Jij mag beginnen,” doet hij meteen mee — blij en betrokken.
Hij heeft geen afwijzing nodig; hij heeft duidelijkheid nodig.
Centrale vraag
Waarom verloopt sociale interactie anders bij kinderen met autisme, en hoe kunnen ouders en leerkrachten hen hierin ondersteunen?
Hoofdstuk 1 – Sociale signalen worden anders geïnterpreteerd
Sociale situaties bevatten veel prikkels: lichaamstaal, mimiek, stemgebruik, context en onuitgesproken regels.
Kinderen met autisme:
- missen soms subtiele hints
- nemen taal letterlijk
- vinden dubbele boodschappen verwarrend
- hebben tijd nodig om te begrijpen wat iemand bedoelt
- raken overweldigd door te veel sociale input
Ze willen verbinden, maar de informatieverwerking kost meer energie.
Hoofdstuk 2 – Wederkerigheid is minder vanzelfsprekend
Sociale wederkerigheid betekent: beurtgedrag, vragen stellen, reageren, aanvullen, aansluiten.
Bij autisme kan dit lastig zijn omdat:
- het kind gefocust is op zijn eigen interesse
- het moeilijk is om snel te schakelen
- het gesprek te veel prikkels bevat
- het kind niet automatisch aanvoelt wat passend is
Dit is geen desinteresse — het is een andere manier van deelnemen.
Hoofdstuk 3 – Sterke, intieme én diepe vriendschappen
Wanneer een kind met autisme een klik heeft met iemand, is die band vaak:
- loyaal
- eerlijk
- diep
- gebaseerd op vertrouwen
- stabiel
Ze zoeken niet veel contacten, maar betekenisvolle contacten.
Hoofdstuk 4 – Spel en interesses sturen de sociale aansluiting
Kinderen met autisme sluiten aan wanneer:
- het spel duidelijk en voorspelbaar is
- rollen helder zijn
- regels niet veranderen tijdens het spel
- het onderwerp aansluit op hun interesses
Daarom zie je vaak een voorkeur voor:
- constructiespel
- logisch spel
- strategie
- gestructureerde spellen
- spel dat zonder sociale improvisatie kan verlopen
Vrij spel vraagt teveel schakelen, wat moeilijk is.
Hoofdstuk 5 – Stress in sociale situaties
Sociale situaties kunnen spanning geven door:
- onduidelijkheid
- dubbele boodschappen
- onverwachte wendingen
- veel auditieve prikkels
- groepsdruk
Spanning kan zich uiten in:
- zwijgen
- terugtrekken
- boos worden
- “overdreven” reageren
- vastlopen
Wanneer de stress weg is, zie je een ander kind.
Hoofdstuk 6 – Wat helpt bij sociale interactie?
Ondersteuning werkt wanneer het aansluit bij de manier van denken van het kind:
- concrete taal
- duidelijke uitnodigingen (“Wil je meedoen? We gaan dit doen.”)
- voorspelbare spelregels
- visuele uitleg van sociale situaties
- benoemen wat anderen bedoelen
- oefenen met situaties vooraf
- ruimte voor het kind om pauzes te nemen
Wanneer verwachtingen helder zijn, bloeien veel kinderen sociaal op.
Over de auteur
Ina Terra helpt ouders van kinderen bij wie leren niet vanzelf gaat.
Ze vertaalt kennis over ontwikkeling, brein en leren naar heldere uitleg voor thuis — zonder kinderen te forceren of in hokjes te plaatsen.
